Diaconaat

‘Diaken’ komt van ‘diakonos’ en betekent dienaar.

In het NT komen we slechts op twee plaatsen de diaken tegen: in Fil. 1:1 en 1Tim.3:8-10. Er wordt hier verder geen taakomschrijving bij vermeld, wel worden ze in één adem genoemd met de oudsten.

Maar Jezus noemde het begrip diaken vaak in Zijn onderwijs aan de discipelen: in o.a. Mt.20:26, 23:11 en Lk.22:26 stelt hij dat de leider moet functioneren als de dienaar (diaken), dat die leider eerst moeten leren om een diaken te zijn, dat dienen een basishouding is voor alle leidende functies. Ook oudsten bijv. moeten beseffen dat hun taak een bediening is: dienaar zijn.

Diaconaat (dienen) begon niet met de aanstelling van de diakenen, maar dus bij Jezus, en al meteen bij de start van de allereerste gemeente (Hd.2:44-46), daar was het de vanzelfsprekende nieuwe levenswijze van de gemeenteleden.

Hoewel het de taak en roeping is van allen, zijn daarnaast in de gemeente mensen (diakenen) nodig die leiding geven aan deze ‘dienst van het dienen’ (het diaconaat). Dat werd al snel duidelijk in die eerste gemeente (Hd.6) De apostelen kwamen niet meer toe aan hun eigenlijke taak doordat de onderlinge zorg veel aandacht vroeg. En zo is het gekomen dat in de gemeente de ‘dienst van het woord’ en de ‘dienst van het diaconaat’ naast elkaar bestaan. Beide zijn ze onmisbaar in de gemeente, en beide zijn ze rechtstreeks afgeleid van de opdracht van Jezus.